“De wyn en kou fyn ik heerlik!”

Meino Faber speurt al dertig jaar regelmatig de kust af, op zoek naar aangespoeld hout of andere jutterswaar. Honderden drijvers, boeien, netten, viskisten en brieven in flessen verzamelde hij. Van het juttershout maakt hij af en toe meubels onder de naam ‘t Floedmerk. 

Door Ellen Schat

Het begon ongeveer dertig jaar geleden, toen Meino Faber als part-time huisvader iedere dag met zijn dochter Tjitske in de kinderwagen ging wandelen langs de zeedijk. “Ik fon bijtiden wat, en soa is ‘t groeid”, vertelt hij in zijn huis aan de Oudebildtdijk. Tegenwoordig fietst hij, aan de wadkant van de dijk, ongeveer vijf keer in de week minstens een uur. Meestal begint hij bij de Westhoek en gaat hij tot Zwarte Haan, soms voert de tocht verder, richting Koehool of juist de andere kant op: dan loopt hij de kwelder van het Noorderleeg op. “’T houdt my gesond en wie weet fyn ik wat.”

In de zomermaanden hoeft Meino meestal niet van het zadel, dan spoelt er weinig aan. “Nou is de see al in paar weken niet an ‘e dyk weest. Tidens ut stormseizoen, tussen november en februari, is de meeste kâns op bút. De wyn en kou dere my trouwens niet, ik fyn ‘t heerlik” En wat die buit dan is? Hout bijvoorbeeld, zo wordt duidelijk in de schuur. Sommige planken en palen zijn meterslang. “Dit is deklast”, wijst Meino naar dunne plankjes. Die zijn van een schip of booreiland afgewaaid. De lange eiken palen – de beste vondsten – worden bij mosselzaadbanken gebruikt. “Een tiid leden hew ik noch wel es gordings fonnen, dat binne balken die dwars op palen fan ‘e seewering saten.” Van de grootste stukken hout maakt Meino meubels, een stamtafel voor Broodje Bewust in Leeuwarden bijvoorbeeld, de lunchroom die zijn dochter een paar jaar geleden startte.

Jutten vraagt wel wat inzet, want soms moet Meino een paar keer heen en weer fietsen, zo veel is het. Soms zaagt hij ter plekke een dikke paal door om ’em op de fiets kunnen houden. En als het écht niet gaat haalt hij de auto op. In zijn werkhok is hij daarna uren bezig. “Faak is ut hout helendal groen útsloegen. As er gaten in het hout sitte, is het anvreten deur paalwormen en falt ut een keer droog helendal útnander.”

Plastic en huilers

Tientallen feloranje ballonvormige boeien hangen aan het plafond in de schuur. Op de meeste staan codes of namen van de visserschepen geschilderd. “Fan deuze, Harvester,hew ik er twee, dat skip is er dus twee kwytraakt.” Aan een visnet hangen twee schoenen, die Meino twee kilometer van elkaar vandaan vond, eerst rechts, toen links en beide ook nog in dezelfde maat. “Die komme fan de schoenami.” In 2006 spoelden ladingen sportschoenen aan, vooral op de waddeneilanden, afkomstig van overboord geslagen containters. Op Terschelling, waar Meino regelmatig te vinden is, bemachtigde hij eens een paar in zijn eigen maat. “Mar ut waar hele slechte kwaliteit, ik hew ‘r mar kort op lopen.” 
De kwaliteit van de spullen is hetzelfde als die van de MSC Zoe, stelt Meino, het schip dat op nieuwjaarsnacht 2019 in de Noordzee 342 containers vol met spullen verloor. Hij bewaarde een paar plastic speeltjes zoals little pony’s. Ander plastic dat aanspoelt, zoals touw of pet-flesjes neemt hij ook regelmatig mee. “Mar de folgende dâg lait der weer nije. Ik bin blij dat er nou staatsiegeld op die flessies komt.” 

Bijzondere vondsten zijn er ook. Zoals de glazen bol, die drijver van een visnet moet zijn geweest. “Apart dat it soa lang heel bleven is, se binne teugenwoordig ommers van plastic.” Ook de huilers, jonge van hun moeder afgedwaalde zeehonden, die hij vier keer vond vergeet hij niet. Hij liet ze ophalen door de zeehondencrèche in Pieterburen of de fûgelpits in Anjum. “Sat ik dêr uren te wachten.”

Viskisten en windrichting
Buiten heeft Meino de grootste boeien en drijvers verzameld. “Die groate grize komme fan mosselsaadbanken op ‘e Waddensee. Na een jaar gaat dat saad dan naar Zeeland, wêr de mossels feerder groeie”, weet hij. Ook zijn hier de visbakken te zien, plastic bakken die gebruikt worden om de op zee gevangen vis in te bewaren. Of tenminste: de opdrukken ervan. Meino zaagde ze uit, de bakken zelf deed hij weg. “Aans wordt het hier te fol. Myn frou Hillie hield der ok niet fan.” De leukste vindt hij een Ierse viskist, waar een kien bedrijfstolen from liet opdrukken. “Mar hy is gewoan anspoeld.” 

Klein juthout bewerkt Meino bijvoorbeeld tot een kapstok. Twee hangen er binnen vlakbij het schilderij dat zijn schoonvader ooit maakte van een palenrij op het Wad. “Dut is foar de ferhoging fan ‘e dyk in de jaren seuventig. Doe waar ie wel vier meter minder hoog.” Dit soort palen staan volgens Meino nu allemaal onder het slik. “De kwelder groeit an, de see komt feul minder faak an ‘e dijk.” Wat hem verder opvalt na dertig jaar jutten is de windrichting die langzaam verandert. “Eerst waar ut altyd noardwest, mar nou meer súdwest. Hoe dat komt? Klimaatferandering?”


Flessenpost

Ook vindt Meino veel flessenpost. Hij laat een plastic flesje met de opgedrukte letters ‘flessenpost’ zien, afkomstig van een jeugdherberg op Texel. “De echte flessenpost is een glazen fles werfan de hals dichtmaakt is met keersfet”, vindt Meino. Vaak is de brief door verkleuring van de zon niet meer te lezen, maar toch heeft hij intussen een dikke map met brieven verzameld. Terugschrijven doet hij meestal niet. Hij bladert naar een brief uit Norfolk, aan de westkust van Engeland, bijzonder vanwege de gevonden locatie. En wat ook leuk was: een keer vond hij flessenpost van een tweeling, Bram en Daan van Dieren van Terschelling, hun opa heeft een juttersmuseum op het eiland. Toen Meino eens op Terschelling was en twee jongens van die leeftijd op een skelter zag rijden sprak hij ze aan. “Se bleken ut ok noch te wêzen.”