Een vreselijk jaar met een lange schaduw

Voor het ouderlijk gezin van Hille Kaper (1939) uit Westhoek was de komst van het Canadese bevrijdingsleger op 15 april 1945 geen feest. Integendeel: Hilles broer, verzetsstrijder Jan Kaper, sneuvelde diezelfde dag in het zicht van de bevrijding bij Akkerwoude. Nog steeds wappert er bij de Kapers geen vlag aan de gevel op Bevrijdingsdag.

Jan Kaper kon beslist niet tegen onrecht, weet zijn achttien jaar jongere broer Hille Kaper uit overlevering. Hille heeft weinig herinneringen aan zijn broer, maar diens vroege dood had grote impact op het gezin Kaper.

Als Hille nog klein is, werkt Jan al als wachtmeester bij de marechaussee in Amsterdam. “Soms kwam hij wel thús”, denkt Hilles vrouw Joke, die in de 56 jaar van hun huwelijk ook betrokken is geraakt bij Blonde Jan, zoals Jans verzetsnaam luidde. Zij verzamelde foto’s en knipsels over Jan in een rode multomap. Joke: “Ik soek ok nog altyd een roman die ik ooit lesen he, werin Blonde Jan een rol speulde.”

Tijdens de Duitse bezetting moet Jan “Joden ut ‘e húzen hale en bij de trap delskoppe”, vertelt Hille. “Dat waigerde hij.” Het noopt Jan een onderduikadres te zoeken. Hij wordt opgepakt voor illegale activiteiten en tewerkgesteld op een schip, waarna hij met een list ontsnapt. Vervolgens duikt hij onder in Minnertsga, en als het hem hier te heet onder de voeten wordt, in Akkerwoude. Hij komt in contact met het verzetsnetwerk in Dantumadeel, rond de schoolmeester en latere Bildtse burgemeester Jacob Klok. Vanaf september 1944 geeft Jan leiding aan de knokploegen van Murmerwoude en Akkerwoude. Bekend is dat Jan een politie-uniform en wapens voor het verzet bemachtigt. Ook zorgt hij ervoor dat geen enkele boer het in zijn hoofd haalt (tegen beloning) paarden voor de Duitsers te gaan vorderen.

Doldriest

Jan was volgens Hille heel geschikt voor dit soort werk omdat hij niet bang was. “Eerder doldriest. Him gedeisd houwe vond-y moeilik, hij nam risiko’s. Hij stond in Minnertsga befoorbeeld bij ‘t útgaan fan ‘e kerk.” Dat Jans moed aan roekeloosheid grensde besefte hij zelf ook, want in de laatste maanden van de oorlog zou hij gezegd hebben: ‘ik haal t eend niet.’

Hille voelt trots als hij aan zijn broer denkt. “Maar as hy foorzichtiger weest waar die dâg, had hij nog leefd.” Op 15 april is Friesland deels bevrijd, maar de vluchtende Duitsers zijn er ook nog. Zo ook in Dantumadeel. De Binnenlandse Strijdkrachten blazen die dag vanuit de kerktoren in Murmerwoude een Duits munitievoertuig op. Twee begeleiders van het voertuig, een Duitser en een Nederlander, gaan er op de fiets vandoor. Jan Kaper en zijn maat Harm Brouwer uit Zwaagwesteinde willen hen tegenhouden. Ze springen met hun stenguns van achter een struik tevoorschijn: halt! Hun vluchtende tegenstanders, die het wapen op het stuur hebben liggen, schieten meteen. Jan en Harm sneuvelen.

Slecht nieuws

Diezelfde dag voelt moeder Aaltje Kaper-Krottje in Westhoek aan dat er iets mis is. Ze stuurt haar 20-jarige zoon Cor op de fiets naar Akkerwoude om poolshoogte te nemen. Hille: “Se mot dus weten hewwe dat hij dér waar. Wêr hy sat waar geheim, en gefaarlijk om te weten. Sinds 1943 stond Jan bekind als staatsgefaarlijk, ik denk dat de Dútsers hem niet linkt hewwe an ‘e Westhoek, aans hadden se hier op ‘e stoep staan.”

Samen met Jacob Klok komt Cor terug naar Westhoek om het vreselijke nieuws te vertellen. Van dat moment zelf herinnert Hille zich niets, behalve dat in zijn beleving ook caféhouder Tienstra meekwam. Een ander beeld: zijn moeder hangt verdrietig ‘an ‘e kist’ als het lichaam van Jan uit het huis gedragen wordt. En hij weet nog dat hij genoot van het tochtje in een mooie auto, vermoedelijk een volgauto tijdens de begrafenis.

Het verlies van Jan valt het gezin zwaar. En de Kapers krijgen nog meer te verduren, want in september overlijdt zus Griet op 21-jarige leeftijd aan de infectieziekte difterie, die wordt overgedragen door een bacterie. Hille: “T waar een freselik jaar.” Daarna wordt niet of nauwelijks meer over hun dood gesproken. “T waar gebeurd en we mosten feerder. En ik waar natuurlijk ok nog te jong om dêr over te praten.”


Vragen

Het verzetswerk van Jan Kaper werd na de oorlog door betrokkenen en historici gedocumenteerd. Hille had lange tijd geen speciale behoefte om meer te weten dan dat zijn broer in het verzet had gezeten, maar dat veranderde de laatste tien of twintig jaar langzamerhand. Ook het boek van Andries Bosma en Harrie Dijkstra over de oorlog op het Bildt en Menaldumadeel zette hem aan het denken. “Myn broer Cor wilde absoluut niet metwerke an dat boek, wylst hy feul meer wist as ik. We praaten tegaar ok niet over Jan of de oorloch. Dat is wel een gemis. Nou ‘t elkeneen sturven is, kin ik niks meer frage.”

En vragen komen er steeds meer. Waar volgde Jan bijvoorbeeld zijn opleiding tot wachtmeester bij de marechaussee? Eerst werkte hij bij een boer, dus dat is niet echt een logische stap. Joke hoopt hierover via politiearchieven nog wat meer informatie boven tafel te krijgen. “En”, wijst Hille op een van de foto’s in de rode map, “bin ik dut ferlegen jongetsie naast Jan?”

Hoe diep het verdriet over zijn gestorven broer en zus zit, beseft Hille nu ook meer dan vroeger. “Je skuuve ‘t fan je ôf. Maar myn broers Cor en Doeke en ik hewwe der er alle drie een klap fan kregen.”

Bloemen en vlag

Gedenken en eren van Jan doen Hille en Joke ieder jaar op 4 mei. Ze staan dan stil bij de grafzuil van Jan, ‘het symbool van jouw idealisme, hoger dan de aarde’, zo werd tijdens de onthulling in 1947 gezegd. Ook leggen ze bloemen op de graven van Jan, andere familieleden en de Canadese bevrijders. Bewust komen ze vroeg in de avond, los van de officiële dodenherdenking.

Andere ideeën om Jan in zijn geboortegrond te eren waren er in de loop van de jaren ook, zoals een plan voor een bankje op de Oudebildtdijk, maar van de Kapers hoefde dat niet. Een straat in Sint Jabik is er ook, sinds 2004 “Maar”, vindt Hille, “het is wel een bitsie laat.”

De bevrijding vieren deed het gezin Kaper in de jaren na de oorlog vanzelfsprekend niet. En de schaduw van 1945 bleef. Nog steeds steekt Hille de vlag niet uit tijdens de landelijke Bevrijdingsdag op 5 mei. Eén keer, in 1970, veranderde dat bijna. “Doe saai Cor: motte wij ok mar weer es Befrijdingsdâg fiere? Het leek mij goed. Maar ‘ t werd ’em niet, want ôns mim sturf doe op 3 maai. Doe hew ik het mar soa houwen.”